De platformeconomie in 2021: Uber-uitspraak (deel 2)

Aan het woord: Stijn Maas
Advocaat-partner bij Keistad Advocaten.
Specialisatie: arbeidsrecht.

De arbeidsmarktontwikkelingen en met name de zogenoemde platformeconomie leveren actuele en interessante arbeidsrechtelijke vraagstukken op. In mijn vorige juridische column heb ik, om het geheugen op te frissen, de twee richtinggevende Deliveroo-uitspraken behandeld. Kort door de bocht gezegd was de Deliveroo bezorger bij de eerste Deliveroo uispraak op 23 juli 2018 nog zzp-er, echter sinds de tweede Deliveroo-uitspraak op 15 januari 2019 was hij/zij ineens werknemer. Bij gebrek aan duidelijke wetgeving, zijn de Deliveroo uitspraken sindsdien maatgevend geweest voor andere nieuwe businessmodellen in de platvormeconomie. Wat is nu – eind 2021 – de (richtinggevende) stand van zaken met betrekking tot de arbeidsverhouding bij platvormbedrijven als Deliveroo en Uber? De meest recente ‘platform-uitspraak’ inzake ‘Uber’, van de Rechtbank Amsterdam van 13 september 2021, geeft antwoorden.

In lijn met de Deliveroo-uitspraken, oordeelde het Gerechtshof Amsterdam recent al dat schoonmakers die via het online platform Helpling werken voor particulieren, ook kunnen worden aangemerkt als werknemers. De rode draad in de laatste jurisprudentie is dus dat veel flexibele arbeidskrachten uiteindelijk toch werknemer blijken te zijn. Met alle bijkomende voordelen van dien, zoals bijvoorbeeld loondoorbetaling bij ziekte, ontslagbescherming en recht op vakantiedagen.

Wettelijke criteria arbeidsovereenkomst maatgevend

Tegen deze achtergrond was ook in de Uber-zaak de inzet (van de FNV) of de Uber-chauffeurs aangemerkt moeten worden als werknemers (arbeidsovereenkomst) of als zelfstandige zzp’ers (overeenkomst van opdracht). Het antwoord? Ook Uber-chauffeurs kunnen worden aangemerkt als werknemers, ondanks het feit dat partijen op papier een overeenkomst van opdracht zijn overeengekomen. Net als bij Deliveroo en Helpling, prikt ook hier de rechter door de schriftelijk gemaakte afspraken in de overeenkomst van opdracht heen. Dit is ook in lijn met een uitspraak van de Hoge Raad van 6 november 2020, waarin werd geoordeeld dat de partijbedoeling niet relevant is voor de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Kortom: welk label partijen ook hangen aan een overeenkomst, áls de samenwerking verder aan alle wettelijke criteria van artikel 7:610 BW (‘arbeid’, ‘loon’ en ‘gezag’) voldoet, dan kwalificeert de overeenkomst (van opdracht) juridisch gezien als een arbeidsovereenkomst.

In de zaak van Uber is er ook sprake van een gezagsverhouding. Uber maakt gebruik van een platform waarin zij bemiddelt tussen chauffeurs en passagiers. De chauffeurs kunnen zich aanmelden via de app, maar moeten wel akkoord gaan met de ‘Voorwaarden voor onafhankelijke Uber-partners’. Uber kan deze voorwaarden eenzijdig wijzigen en bovendien kan zij een chauffeur eenzijdig van het platform uitsluiten. Verder beoordeelt Uber de chauffeurs op basis van ratings van passagiers, selecteert zij op basis hiervan chauffeurs en auto’s voor bepaalde ritten en stelt zij mede op basis daarvan eenzijdig de tarieven vast. Ook kan Uber chauffeurs verwijderen die vaak autoritten weigeren. “Hoezo (ondernemers)vrijheid?” hoor ik u denken. En precies daar wringt de schoen.

Juist doordat Uber de touwtjes strak in handen heeft, blijft er weinig over van de ondernemersvrijheid van de chauffeurs en kwalificeert Uber als werkgever in de taxibranche. Ondanks dat Uber zelf beweert ‘slechts’ een technologiebedrijf te zijn dat middels haar platform slechts als bemiddelaar optreedt tussen chauffeur en passagier, kan dit de arbeidsrechtelijke toets van de rechter niet doorstaan.

‘Moderne gezagsverhouding’

Dat aan de wettelijke criteria ‘arbeid’ (er worden immers passagiers vervoerd) en ‘loon’ (er wordt immers betaald voor de ritten) wordt voldaan, is duidelijk. In de praktijk levert doorgaans het wettelijk criterium ‘gezagsverhouding’ voer voor discussie op, bij de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst kwalificeert of niet.

En hierover zegt de rechter in de Uber-zaak iets interessants, namelijk dat er sprake is van een zogenoemde ‘moderne gezagsverhouding’. Dit houdt in dat de controlefunctie van de werkgever indirecter dan voorheen is geworden en dat de werknemer zelfstandiger is geworden. Vergelijk het bijvoorbeeld met werknemers die, veel meer dan vroeger, hun eigen tijd indelen en ook vaker vanuit huis werken, zeker sinds Corona.

Conclusie

Net als voor de Deliveroo-bezorgers, betreft het ook voor Uber-chauffeurs een ‘take it or leave it’– samenwerking, waarbij zij geen gangbare ondernemersvrijheid hebben. Uber chauffeurs zijn dan ook – ondanks de overeengekomen overeenkomst van opdracht – geen ondernemers maar gewoon werknemers in de zin van de wet op basis van een arbeidsovereenkomst. Niet geheel verrassend is Uber het niet met deze uitspraak eens, haar hele businessmodel dreigt om zeep te worden geholpen. Uber heeft dan ook al aangekondigd in hoger beroep te gaan. Wordt vervolgd!

platformeconomie 2
Aanbevolen artikelen
Neem contact op

Wilt u ons een bericht sturen? Wij nemen z.s.m. contact met u op.

0